De teelt van de Corne de Gatte verschilt in een aantal opzichten van andere rassen. Allereerst groeit hij vrij wild waardoor het vele loof tot twee keer zo hoog kan groeien als bij andere aardappelrassen. Verder zitten er vrij veel stolonen aan.
Deze horizontaal onder de grond groeiende uitlopers maken het rooien lastig. De aardappeltjes zijn klein en zitten verspreid in de grond. Naast het feit dat de opbrengst laag is, moeten de corne de gatte met een speciale pootgoedrooier geoogst worden. Door hun langwerpige vorm zijn ze immers moeilijk machinaal te sorteren. Net als vele andere rassen is ook de Meetjeslandse corne de gatte vrij vatbaar voor phytophthora (aardappelplaag).

 

Terug naar overzicht.